Twee dagen. Welgeteld twee dagen heb ik in de afgelopen 44 jaar mogen genieten
van wat hardlopers een Runners High noemen. Twee dagen lang voel ik me
onverslaanbaar.
Nieuwe schoenen. Snelle tijden. Segmenten op Strava waarvan ik tot voor kort het
bestaan niet eens heb geweten. Kilometers die vanzelf gaan. De marathon in 3.20?
Moet kunnen. Misschien zelfs sneller. Op dat moment lijkt alles mogelijk. De
hardloopwereld ligt aan mijn voeten. Twee dagen later: plons.
Het ene been krijg ik nauwelijks meer voor het andere. Mijn energie is verdwenen.
Mijn tempo lijkt spontaan een minuut per kilometer langzamer te zijn geworden. En
dat stemmetje in mijn hoofd – jullie kennen hem beter als Einstein - heeft besloten
terug te keren van vakantie. Met frisse moed en hij is tegenwoordig ook niet meer
subtiel.
‘Je bent moe.’
‘Je bent oud.’
‘Die marathon? Vergeet het maar. Je ziet eruit alsof je al een marathon hebt
gelopen.’
Normaal gesproken kan ik dat stemmetje nog een beetje negeren. Zeker als ik
samen met iemand loop. Dan is er afleiding. Dan wordt er gekletst. Dan is er iemand
die bevestigt dat het allemaal wel meevalt. Alleen sinds mijn Huckleberry (sorry, John
Kaars) zich heeft aangesloten bij de elite met die halve Aidammer op kop sta ik er
alleen voor en Einstein weet dat. Die pakt me precies op het juiste moment. Bij
iedere stap heeft hij wel een opmerking klaar.
Misschien is dat ook maar goed. Want eerlijk is eerlijk: als die runners high langer
dan twee dagen zou duren, zou ik inmiddels waarschijnlijk onuitstaanbaar zijn
geweest. Nu ben ik gewoon weer mezelf.
Mopperend en wel. Precies zoals mijn Huckleberry me het liefste ziet.
Er zijn nog geen reacties.