Sommige hardlooptermen klinken alsof ze rechtstreeks uit een wetenschappelijk onderzoek komen. Andere alsof ze bedacht zijn tijdens het derde biertje in de kantine. En eerlijk? Ik heb jarenlang gedacht dat het allemaal een beetje overdreven was. Totdat je zelf steeds vaker tussen die lopers staat en ineens merkt dat bepaalde termen toch akelig veel betekenis beginnen te krijgen.
Neem alleen al fartlek. Een woord dat klinkt als een Scandinavisch meubelstuk van IKEA, maar blijkbaar gewoon een speelse intervaltraining is. Of taperen. Klinkt als iets wat je doet met ducttape en een lekkende regenpijp, maar in de hardloopwereld betekent het ineens dat je minder gaat trainen richting een wedstrijd. En dan hebben we natuurlijk nog de bekende termen als runner’s high, VO2max en de haas. Allemaal prachtig, maar geen enkele term komt wat mij betreft ook maar in de buurt van absolute cultstatus: linkeballen.
Eerlijk waar. Als er ooit nog een verkiezing voor woord van het jaar komt, dan moet linkeballen gewoon standaard genomineerd worden. Wat een fenomenaal woord is dat. Alleen de klank al. Je hoort meteen wat ermee bedoeld wordt. En belangrijker nog: we kennen allemaal wel iemand die er meester in is.
Van die ‘hardloopvrienden’ die tijdens een training 7800 meter lang exact anderhalve centimeter achter je rechterschoen blijven hangen om vervolgens in de laatste 200 meter ineens een soort kruising tussen Femke Bol en Usain Bolt te worden. Ik noem geen namen natuurlijk, maar als je naam met een E begint en op NNO eindigt, dan weet je zelf waarschijnlijk ook wel genoeg.
Of die lopers die tijdens de eerste kilometers fier op kop lopen. Borst vooruit. Grote passen. Veel bravoure. Toevallig ook precies op het stuk met wind mee. Maar zodra “het bochtje omgaat” en de wind ineens van voren komt, verdwijnen ze geruisloos richting de achterkant van de groep. Ineens moeten ze “even herstellen”. Tuurlijk.
En dan hebben we nog de binnenbochter. Misschien wel de slimste van allemaal. Dat zijn die lopers die tijdens de warming-up hun positie op baan één alvast veiligstellen en vervolgens de hele training koste wat kost aan de binnenkant blijven lopen. Geen meter te veel maken. Iedere bocht zo scherp aansnijden dat de rest zich afvraagt of er ergens verborgen pionnen staan. Vaak dezelfde types die op Strava vervolgens ook nét een iets mooier gemiddelde hebben dan de rest.
Het mooie is misschien nog wel dat iedere loopgroep zijn eigen woorden en gewoontes heeft. Dingen die voor buitenstaanders totaal onbegrijpelijk klinken, maar waar hardlopers direct om moeten lachen. En hoe langer ik zelf loop, hoe meer ik ontdek dat die termen eigenlijk veel meer zeggen dan alleen iets over hardlopen. Ze zeggen vooral iets over mensen.
Als jullie nog wat meer hardlooptermen weten waar ik het bestaan (nog) niet vanaf weet, kom maar door!
Er zijn nog geen reacties.